magazine

Debat: toekomst met of zonder titel?

tekst: Bureau Bax
beeld: Ernst Schmidt

Is titelbescherming voor interieurarchitecten een must? Het ministerie van Economische Zaken stelde dit onlangs ter discussie. Twee onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam deden vervolgens onderzoek naar het belang van deze bescherming en pleiten voor behoud van de titelbescherming. Om alle voors en tegens voor het voetlicht te brengen, organiseerden BNI, BNA en BNO woensdag 18 november 2016 een debat over de toekomst van de interieurarchitectuur Innoveren of decoreren.

Bijna alle stoelen zijn bezet in de zaal van Pakhuis de Zwijger. Interieurarchitecten, studenten, vakgenoten en belangstellenden kijken afwachtend naar het podium. Ook daar is het druk. Maar liefst acht debaters hebben zich achter de microfoon opgesteld. Een van de vragen die vanavond wordt gesteld is: Wat is de maatschappelijke meerwaarde van interieurarchitectuur?

Barbara Heebels een van de twee onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam, heeft daar met haar onderzoek ‘Van binnen naar buiten’ een antwoord op geformuleerd en vanavond licht ze dit toe. “De veranderende opgave brengt enorme kansen voor de interieurarchitect met zich mee. Zo neemt de transformatieopgave toe. Ik ben op dit moment bezig met een onderzoek naar de toekomst van binnensteden waar allerlei functies veranderen. Er zijn veel gemeentes die op het punt staan om specialisten in te schakelen om mee te denken met bijvoorbeeld het transformeren van winkels naar woningen, maar ook andere projecten,” schetst Heebels. “Tegelijkertijd zie je dat duurzaam bouwen vaker een voorwaarde is. En een andere ontwikkeling is de vergrijzing en de zorg die daardoor steeds belangrijker wordt. Tot slot zie je de tendens dat de gebruiker meer centraal komt te staan. De specialist op dit gebied is de interieurarchitect.”

 

Meerwaarde

Het lijkt erop dat interieurarchitecten er niet altijd in slagen om hun kwaliteiten goed onder de aandacht te brengen van potentiële opdrachtgevers. Volgens Heebels heeft de sector een imagoprobleem. Kees Spanjers, een van de panelleden, neemt het woord: “Interieur wordt vaak verward met privé-domein. Maar een groot deel van de interieuropgaven bestaat uit publieke ruimten zoals winkels, scholen, kantoren, ziekenhuizen. Heel veel tijd van je leven breng je door in ruimtes waar je geen invloed op hebt. Maar die invloed kan de interieurarchitect uitoefenen. Dat zijn terreinen waar wij als interieurarchitecten onze expertise kunnen laten zien. Daar ligt vooral onze toekomst en onze meerwaarde,” vindt Spanjers.

 

Aan de voorkant

Als je daar invloed op wilt uitoefenen, moet je al vroeg in het bouwproces zitten. Daar zijn de meeste aanwezigen het over eens. Interieurarchitecten hebben daarin volgens Spanjers een eigen verantwoordelijkheid. “We moeten niet langs de zijlijn blijven staan, maar meereizen. Ook na afloop nog eens gaan kijken en leren van wat we hebben gedaan. En die kennis voortdurend in de praktijk brengen. Dus niet alleen vroeg in een proces betrokken worden, maar ook betrokken blijven.”

Uit de zaal komen voorbeelden van projecten waarbij dat succesvol in de praktijk wordt gebracht. Met name in de zorgsector worden bouwprojecten anders georganiseerd. “Vanaf de start van een project werk je in een team. Een groep die niet alleen bestaat uit ontwerpers en technici, maar ook andere specialisten, zoals een ergonoom,” vertelt een van de aanwezigen. “Het is niet ieder voor zich, maar je deelt je kennis en je doet het project echt met elkaar.”

 

Brede blik

Kruisbestuiving met andere disciplines wordt al tijdens de opleiding gestimuleerd. Panellid Ingrid van Zanten, coördinator masteropleiding interieur bij Artez, vertelt dat studenten van de masteropleidingen geleerd wordt om heel breed te kijken. “Bij de bacheloropleiding zijn de studenten nog vooral op zichzelf gericht, op het aanleren van vaardigheden. Tijdens de masteropleidingen laten wij de studenten veel samenwerken met andere disciplines. Bij Artez werken de studenten aan casestudies waarvoor ze de samenleving in moeten. Ze werken dan met bijvoorbeeld planologen, antropologen of omgevingspsychologen waardoor ze over de grenzen van het vak heen leren kijken.”

Een van de aanbevelingen in het onderzoek van de UvA is het opzetten van een universitaire master interieur zodat er een goed, reflectief onderzoeksklimaat op het gebied van interieur kan ontstaan. De TU in Delft kent al jaren een leerstoel interieur. Maar panellid Jurjen Zeinstra, hoofddocent van deze leerstoel, benadrukt dat deze leerstoel onderdeel is van de architectuuropleiding en dat studenten niet opgeleid worden tot interieurarchitecten. Zeinstra constateert dat interieur steeds belangrijker wordt, ook voor architecten. “Er is een periode geweest dat architecten zich alleen maar richtten op iconische exterieurs, maar die tijd is voorbij. De architectuur moet in dienst staan van het interieur. En de huidige generatie studenten is zich daar zeker van bewust.”

 

Academisch niveau

Maar wat denken de panelleden over een aparte master interieur aan de TU Delft, zoals voorgesteld wordt in het rapport? Spanjers reageert als eerste: “Waar ons vak behoefte aan heeft, is verdieping en verbreding en ik denk dat wetenschappelijk onderzoek daar onderdeel van is.” Zeinstra meent dat de TU Delft zo’n master zeker kan faciliteren, maar alleen als er ook geld beschikbaar komt vanuit het ministerie. “Als wij een master opzetten met een degelijk onderzoeksprogramma, zullen we daar mensen voor aan moeten trekken. En daar is geld voor nodig.”

Van Zanten denk niet dat een universitaire master per se nodig is. “Het lijkt me interessanter wanneer studenten van de TU samenwerking zoeken met de hbo-masters. Ik denk niet dat we met z’n allen heel veel interieurarchitecten moeten gaan opleiden. Want waar leiden we dan nog voor op?”

 

Beroepservaring

In 2015 is de verplichte beroepservaringsperiode ingevoerd om aanspraak te kunnen maken op de titel interieurarchitect. In de zaal zit Annemiek Rijckenberg, van het Bureau Architectenregister. Zij geeft aan dat nog niet zoveel afgestudeerden kiezen voor een beroepservaringsperiode. Volgens Van Zanten heeft dat te maken met de discussie rondom de titelbescherming. “Zolang die bescherming onzeker is, zullen veel studenten aarzelen om voor zo’n traject te kiezen.” En dat is jammer vinden veel aanwezigen, want de eerste ervaringen van interieurarchitecten die de beroepservaringsperiode hebben doorlopen, zijn heel positief. Zo vertelt interieurarchitect Laura Vellinga over de kennis en ervaring die zij opdeed. “Je leert alle aspecten van het bouwproces kennen en de bijbehorende terminologie. Veel van dat soort zaken komen tijdens de opleiding niet aan bod. Het hele traject heeft mij heel veel gebracht.”

 

En nu?

In aanvulling op het UvA-onderzoek hebben de BNI en het Bureau Architectenregister een flits enquête gehouden onder ingeschreven interieurarchitecten om de economische waarde van de interieurarchitect in kaart te brengen. Daaruit blijkt onder meer dat de interieurarchitecten goed zijn voor een totale omzet van 111 miljoen euro. Rijckenberg overhandigt het rapport en de enquête officieel aan Bas Vereecken, hoofd Atelier Rijksbouwmeester waarbij zij hem de vraagt stelt ‘Wat gebeurt er met de resultaten van het UvA rapport? Hoe hard gaan jullie hiermee aan de slag?’

“Laat daarover geen misverstand bestaan; het College van Rijksbouwmeesters omarmt dit rapport en de conclusies,” zegt Vereecken stellig. “Het college gaat de boer op richting het nieuwe kabinet met de boodschap ‘we hebben een rijke traditie op gebied van architectuur en daar moeten we spaarzaam mee omgaan. Die vier disciplines die doen ertoe.’ Maar we hebben wel argumenten nodig en daar kunnen jullie bij helpen. Dus reken jezelf niet rijk en laat zien wat je doet en wat je toegevoegde waarde is.”

Onderzoek Universiteit van Amsterdam

Met het onderzoek ‘Van Binnen naar Buiten’ hebben de onderzoekers Barbara Heebels en Robert Kloosterman van de UvA de rol van de interieurarchitect onderzocht en bekeken of titelbescherming nodig blijft. In het onderzoek doen zij zes aanbevelingen. In het kort:

1.Behoud wettelijke titelbescherming en beschouw deze juist als een instrument om de kwaliteit en innovatie en dus het concurrentievermogen op langere termijn te bevorderen.
2.Verdere samenwerking en afstemming tussen BNI en BNO om te komen tot één organisatie voor interieurarchitectuur.
3.Samenwerking en samenhang tussen verschillende architectonische disciplines blijven onderstrepen en verstevigen.
4.Inzet van de beroepsorganisatie BNI om bij mogelijke opdrachtgevers het merk interieurarchitectuur verder te promoten in binnen- en buitenland.
5.Het versterken van bestaande masteropleidingen op HBO niveau om zo de kwaliteitsimpuls verder door te zetten.
6.Sterk inzetten op het ontwikkelen van een universitaire master track.

Het volledige onderzoek is hier te downloaden.

 

Flitsenquête
Wat is het economische belang van de interieurarchitect? Omdat recente cijfers hierover ontbraken heeft de BNI samen met het Bureau Architectenregister een flits enquête gehouden onder 1650 ingeschreven interieurarchitecten met een respons van 733, dat is 44,5 procent van het totaal aantal ingeschreven interieurarchitecten. Enkele highlights uit dit rapport zijn:

.63 procent is voltijds actief als interieurarchitect.
.25 procent is deeltijd.
.12 procent is niet actief door pensioen of anders. 
.De gemiddelde bureau omvang is 2,6 fte en wordt ingevuld door 2,7 personen.
.De gemiddelde bureauomzet is 147.884 euro.
.Per fte wordt gemiddeld 63.000 euro omgezet.
.De totale omzet van interieurarchitecten is 111 miljoen euro.
.De totale omzet van BNA-architecten is 375 miljoen.

De flitsenquête is hier na te lezen.